Landbouwers beseffen dat samenwerken met de natuur moet en loont. Natuur en landbouw versterken elkaar en dat hebben onze landbouwers tegenwoordig goed begrepen.
Natuur en landbouw zijn elkaars bondgenoten. De Regionale Landschappen helpen bij het versterken van beide elementen. Als Regionaal Landschap beseffen wij heel goed dat een samenwerking voor de landbouwer ook economisch interessant moet zijn en niet enkel afhankelijk mag zijn van pure goodwill van de landbouwer. Wanneer de financiële druk wegvalt, heeft een landbouwer meer tijd om landschapsherstel met de bedrijfsvoering te verzoenen. Je kon het al lezen in het artikel over een duurzamer en biodiverser biolandschap: zo'n agro-ecologische overgang kan echter niet van de ene dag op de andere. De populaties van natuurlijke plaagbestrijders moeten terug in balans komen en de bodemkwaliteit dient te herstellen. Bij Regionaal Landschap Meetjesland & Leievallei werkten ze binnen het project "Geïntegreerd faunaplan" enkele maatregelen uit om het bondgenootschap tussen landbouw en natuur concreet te maken.
Kraaien, kauwen en houtduiven zijn voor landbouwers echte plaagsoorten. Ze eten het zaad van landbouwgewassen en foerageren op legsels van weidevogels. Van vogelschrikkers in allerlei vormen en kleuren is aangetoond dat deze niet effectief zijn. Het enige wat werkt is uiteraard jacht, de aanwezigheid van mensen en bewegingsgeactiveerde watersproeiers. Deze laatste zijn op kleine schaal bruikbaar.
Om de populaties van natuurlijke plaagbestrijders in balans te brengen en andere diersoorten te beschermen kunnen landbouwers bij enkele concrete maatregelen rekenen op een vergoeding.
Wildreddend maaien zorgt niet alleen voor het redden van dierenlevens, het helpt ook om de kans op botulisme door besmet diervoeder te verkleinen. Een landbouwer die wildreddend maait, ontvangt hiervoor 50 euro subsidie. De maairichting aanpassen is een noodzakelijke voorwaarde. De wildredder gebruiken en de maaisnelheid aanpassen zijn echter geen noodzakelijke voorwaarden om de subsidie te ontvangen, maar wel sterk aanbevolen. Neem voor info contact op met ons Regionaal Landschap.
Het platteland kan heel wat ecosysteemdiensten leveren. De meest gekende ecosysteemdiensten zijn bestuiving en natuurlijke plaagbeheersing. De soorten die deze diensten leveren, helpen bij de beheersing van ziektes en plagen en het bestuiven van heel wat gewassen en planten. We zoeken naar win–winsituaties voor een duurzaam platteland via de uitwerking van een geïntegreerd faunaplan.
Daarnaast krijgt het platteland te kampen met opportunistische soorten (bladluizen, everzwijnen, ganzen, kraaiachtigen, duiven…) die zich aan de nieuwe landbouwlandschappen en technieken hebben aangepast en zo vaak ongewenste gasten worden voor bepaalde doelgroepen (onder meer de tuin- en landbouwsector) op het platteland. Dit in combinatie met de achteruitgang van de biodiversiteit op het platteland zorgt ervoor dat de ecosysteemdiensten afnemen.
Er zijn heel wat benaderingen bij het werken aan ecosysteemdiensten waarbij men vertrekt vanuit een individuele benadering van soorten of problemen. Bij dit project werken we aan een geïntegreerde aanpak op gebiedsniveau waarbij we een plan uitwerken om een evenwicht te vinden tussen gewenste en ongewenste soorten. Die aanpak stemmen we af op de diverse doelgroepen die op het platteland wonen en werken.
Zie 'Kievit' en hierboven.
Kraaiachtigen zijn bewoners van het halfopen landschap en floreren daar ook. Een kraai is een slim dier en een alleseter en hij staat bij veel mensen bekend als een echte opportunist die heel wat schade kan veroorzaken aan gewassen, jong kleinvee of zelfs voedselopslagplaatsen. De kraai is een sociaal dier: er zijn koppels met een vast territorium en variabele groepen van dieren zonder territorium. De koppels verdedigen hun territorium steevast tegen andere dieren. Wanneer een territorium vrij valt zal het worden ingenomen door meerdere nieuwe dieren.
Opsporen van reekalfjes in maaigebieden zodat deze tijdig gedetecteerd worden. Zo vermijden we onnodige slachtoffers en botulisme bij vee dat ingekuild voer als voedsel voorgeschoteld kreeg.
In de stad of in het groen, duiven duiken overal op. De noemer duif telt vele soorten. De houtduif, de Turkse tortel, de stadsduif en de holenduif zijn daarvan de belangrijkste vertegenwoordigers. Een koppel stadsduiven kan tot 16 jongen per jaar voortbrengen, hun populatie groeit dus erg snel. Ook in landbouwgebieden kunnen vooral houtduiven voor problemen zorgen. Een duif heeft niet veel nodig: ze eten bessen, zaden, plantonderdelen en resten van dieren- of mensenvoeding. Ze heeft voldoende aan een hoge schuilplaats om te nestelen of te slapen.
Meer informatie over het project Geïntegreerd Faunaplan? Contacteer onze medewerkers natuur, Hélène Quidé of Lars Dekeyser.
Dit project werd mogelijk gemaakt met de steun van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling: Europa investeert in zijn platteland.